Hoofdlijnen van het boek

"GOD HEEFT EEN ZOON!"
"Israël in de Schrift en de betekenis van Israël voor de gemeente"

  • God schiep de aarde zeer goed (Gen. 1:31). Na de zondeval is tenslotte de aarde ten onder gegaan in de zondvloed (Gen. 6:11-13).
  • God kiest Abram en zijn zaad uit als Zijn volk, in Zijn land. Alle volken zullen žn het zaad van Abram, Israël, worden gezegend (Gen. 12:1-3).
  • De onbesneden Abram gelooft God, en God rekent het Abram tot gerechtigheid (Gen. 15:6).
  • God sluit een verbond met Abraham en Zijn zaad: het abrahamitisch verbond. God is de God van Abraham, Izak en Jakob, Hij is de God van hun zaad, en Hij geeft hun het land (Gen. 17).
  • Bij de berg Sinaï sluit God het sinaïtisch verbond met het volk Israël, om vorm te geven aan hun dienst van God. Het hele volk Israël is bedoeld om priesters te zijn, om de hele aarde te zegenen (Ex. 19:5,6).
  • God roept in het O.T. Zijn volk Israël voortdurend op om Hem te gehoorzamen, om Zijn Tora te onderhouden (Jer. 12:13). God belooft ook een nieuw verbond (namelijk een vernieuwing van het sinaïtisch verbond): God belooft aan Zijn volk Israël de Messias, en de uitstorting van de Heilige Geest (Jer. 31:31-34, Ez. 36:22-31). Ook wordt aangekondigd dat vanwege hun zonden het Joodse land ten onder zal gaan (Jes. 10:22), totdat het Joodse volk terugkeert uit de ballingschap (Jes. 10:21), wordt hersteld (Jes. 11:10-16), en hun land wordt vernieuwd (Jes. 11:9, Jes. 65:17-25, 2 Kron. 7:14).
  • Bij de eerste komst van Christus vervult God Zijn beloften: Jezus Christus sterft voor de zonden van Zijn volk Israël (Matth. 1:21), en de Heilige Geest wordt uitgestort op Zijn volk Israël (Hand. 2). Jezus Christus staat garant voor het hele Joodse volk, Hij bevestigt in Zijn eigen bloed het nieuwe verbond, dat is gesloten met Israël, het Joodse volk (namelijk met het huis van Israël en het huis van Juda, Jer. 31:31, Hebr. 8:8).
  • Een aantal jaren na de uitstorting van Gods Geest op het Joodse volk, maakt God aan Zijn heiligen (Hebr. 10:14, Ef. 3:5, Hand. 10) duidelijk dat ook wij, heidenen, (ondanks dat er geen verbond bestaat tussen God en ons onbesneden heidenen), toch mogen delen in de vergeving van zonden in het bloed van Jezus Christus, en mogen delen in de uitstorting van de Heilige Geest en medeërfgenamen mogen zijn met het Joodse volk.
  • Wanneer steeds meer heidenen gaan geloven, komt de vraag op of zij moeten worden besneden en de Tora onderhouden, net zoals de Joden, die geloven in Jezus Christus. Het antwoord is ontkennend, ondanks dat de Tora blijvend is gegeven aan het verbondsvolk Israël, het Joodse volk, is het Joodse volk door de Tora nooit en te nimmer zalig geworden.
      Er was nog geen verbond gesloten met Abram, hij was nog niet besneden, toen Abram God geloofde, en daardoor rechtvaardig was. En de Tora kwam pas 430 jaar later. Dus komt de zaligheid zowel voor Jood als heiden alleen door het geloof in Jezus Christus, en hoeven de heidenen de Tora niet te onderhouden, en dus ook niet besneden te worden. De heidenen, ook de gelovigen onder hen, dienen de zeven noachidische geboden te onderhouden.
  • Paulus schrijft een aantal brieven, zoals:
    - Rom.: ondanks het eeuwige onderscheid tussen het uitverkoren volk, het verbondsvolk Israël, het Joodse volk, en de heidenvolken, worden zowel Jood als heiden alleen zalig door het geloof in Jezus Christus.
    - Gal.: gericht aan de heidenen die dreigen misleid te worden door Joden, die niet beseffen hoe alles echt en volledig in Jezus Christus wordt gevonden (Kol. 2:9,10), en menen dat een stukje onderhouding van de Tora toch wel onontbeerlijk is. Omdat dat afbreuk doet aan het volmaakte werk van Jezus Christus, en de mens terugwerpt op zichzelf, met het faillissement van de wereld voor de zondvloed en van het Joodse volk voor ogen, gaat Paulus fel te keer tegen het opleggen van de Tora aan heidenen.
    - Ef.: benadrukt de eenheid tussen het Joodse volk enerzijds, en de heidenen anderzijds. Jood en heiden hebben één Geest ontvangen, één geloof in Jezus Christus, enz.
    - Kol.: De heidenen die in Jezus Christus geloven zijn niet minder dan de besneden Joden, leden van het verbondsvolk Israël: want de gelovige heidenen zijn óók besneden, namelijk van hart. Daarvan legt een gelovige heiden getuigenis af, als hij / zij zich laat onderdompelen in het watergraf (Kol. 2:11,12).
  • Uiteindelijk zullen, bij het herstel van Israël (wat we in onze dagen meemaken) de Joden massaal in Jezus Christus geloven. Dan wordt het Joodse volk rein door het bloed van Jezus Christus, zullen zij door het doopwater doorgaan en de Heilige Geest ontvangen (Ez. 36:25-27). Dan heeft Israël zich eindelijk versierd met Gods rechtvaardigheid (Openb. 19:8, Jer. 2:32), en kan eindelijk het bruiloftsfeest (Matth. 22:1-14) beginnen; Israël, het Joodse volk, is de Bruid (Openb. 21). De heidenen wandelen dan in het licht van het vernieuwde Joodse volk (Openb. 21:24, Jes. 60:3), dit licht van het vernieuwde Jeruzalem is het Lam Jezus Christus (Openb. 21:3), is de HEERE (Jes. 60:1,2).
  • In afwachting van het bruiloftsfeest, van deze hoop (namelijk op het herstel van de hele aarde), komen de plaatselijke gelovigen uit het Joodse volk en de andere volken bijeen, en vormen zo een gemeente. Tezamen vormen alle gelovigen het lichaam van Jezus Christus, waarvan Hij het hoofd is. De gemeente verkondigt het evangelie overal, en brengt het in de praktijk (Rom. 12), en prijzen en loven God, zodat uiteindelijk Israël moet bekennen dat hun Messias is gekomen, en jaloers is (Rom. 10:19, Deut. 32:21,43), en zij zullen zeggen tot hun Messias: "Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heeren!" (Matth. 23:39, Ps. 118:26). Dan komt Jezus Christus terug (Zach. 14:4) om Koning te zijn over Zijn volk Israël (Zach. 14:9, Jer. 23:5, Luk. 1:31-33, Joh. 19:19), en via Israël over de hele aarde (Deut. 28:9,10,13): het vrederijk (Openb. 20:1-6, Jes. 2:1-5, 11:6-12:6). Althans, zo had het moeten zijn.... In werkelijkheid hebben de christenen de Joden zwaar vervolgd, en in veel gemeenten wordt totaal niet besefd dat God Zich voor altijd heeft verbonden met het volk Israël, met een verbondsrelatie die niet geldt voor andere volken of gelovigen uit andere volken (Ex. 3:15, Gen. 17:7,8, Ex. 34:28, Jer. 31:31-34). De gemeente is ver afgeweken van het Woord van God, het is niet te verwachten dat de gemeente het Joodse volk ooit nog jaloers zal maken.

Opmerking: Het woord 'erets': aarde / land, had gezien de context in Jes. 65:17 niet moeten worden vertaald met 'aarde', maar met 'land'. In hoofdstuk 4 zal uitgebreid worden ingegaan op het woordje 'erets'.